Met deze tekst werd ik ‘runner-up’ ( wat vermoedelijk zoiets als 2e betekent ) in een essay wedstrijd voor het universiteitskrantje van de Universiteit van Tilburg. ( de titel was tevens de opdracht, dus die heb ik zelf niet verzonnen )
En toen, toen voelde ik me echt vrij.
U wilt mijn ultieme vrijheidsmoment weten? Het moment waarop ik me écht vrij voelde? Wat wilt u dan precies van mij weten, wat voor een soort antwoord wilt u van mij? Iets in de trant van: ‘toen, op dat verlaten strand met die wind door mijn haren de blote voeten in het zand oerkreten schreeuwend, in gevecht met de elementen’ ? Wilt u zo’n antwoord? Ik zou iets kunnen schrijven over de ervaring van het sublieme in de natuur en hoe een mens via dergelijke ervaringen in contact wordt gebracht met ideeën die buiten onze redelijkheid vallen. Dat we door ons zo te beseffen dat we onderdeel zijn van iets groters onze moraliteit vinden? Of bedoelt u toch meer écht vrij in de zin van: ‘Ik voelde me pas echt vrij toen ik als rijke vrije westerling op Tiananmen square in Beijing stond, onder het portret van Mao met mijn flesje cola in de hand’. Ik zou het over politieke vrijheid kunnen hebben. Toch voelde ik me daar vooral vrij omdat ik zelfstandig met het openbare Chinese vervoer had gereisd terwijl ik een paar jaar terug nog opgesloten in mijn donkere woonkamer depressief achter mijn computer zat. Is dat het soort vrijheid waar u van wilt horen? De vrijheid die te maken heeft met actief deelnemen aan de wereld? Dat je pas vrij bent wanneer je eigen grenzen durft te betwijfelen en durft te verleggen?
Of moet ik vertellen van vrijheid tussen lichaam en geest? De vrijheid die ik ervoer toen ik alle macht en controle over mijn eigen lichaam uit handen moest geven? Ik zou namelijk een stuk kunnen schrijven over vrijheid en angst voor de dood. Vanwege een aangeboren hartafwijking moest ik onder het mes en daar was ik bang voor. Die angst en de belofte van een betere, gezondere toekomst confronteerde me met mezelf, met al mijn beperkingen en dus ook met al mijn mogelijkheden, mijn vrijheid. Voor de operatie was mijn angst zo groot geweest dat ik mij niet kon voorstellen hoe de dag erna zou uitzien. Ik was allesbehalve vrij omdat al mijn aandacht gericht werd op dat ene punt, dat ene moment. Ik wist wel dat er ook een punt daarna zou komen. Men legt mij dat uit. Men stelt mij gerust en men doet zijn best mij te kalmeren maar de informatie kwam gewoon niet binnen, kon niet gebruikt worden, had geen betekenis. Er was geen referentiekader, geen discours waarbinnen de woorden ‘alles komt goed’ iets hadden om naar te verwijzen; de woorden hadden geen gebruiksaanwijzing voor deze toepassing. Toen ik eenmaal voorbij het ‘point of no return’ was, toen de kalmeringstabletten in mijn bloed verspreid waren en ik in mijn bed naar de operatiekamer werd gerold, kon ik niet anders dan mij overgeven aan de werkelijkheid. Aan De Ander, aan alles wat buiten mijn eigen fenomenale belevingswereld lag. Mijn bestaan had op dat moment niks meer met mezelf te maken. Was ik toen vrij?
En nu? Nu maak ik immers weer deel uit van datgene waar ik voor mijn operatie ook deel van uitmaakte en dat is de werkelijkheid die filosofisch nog altijd onderzocht wordt. Dat is de werkelijkheid waarbinnen men kan denken dat het zus of zo is. Dat is de werkelijkheid waarbinnen men materialist of idealist kan zijn. Dat is de werkelijkheid waarbinnen vrijheid onlosmakelijk is verbonden met mijzelf en de rest van de wereld. Dat is de werkelijkheid waarbinnen mijn bestaan niet meer onafhankelijk is, noch van mezelf noch van anderen. Dat is dus ook de werkelijkheid waarbinnen de vrijheid niet anders te denken is dan in het denken over de verhouding die men kan hebben tot de werkelijkheid.
Ik houd op met het vragen naar het soort vrijheid waar u op doelt als u mij vraagt wanneer ik mij écht vrij voelde. Ik ben namelijk bang dat ik wel een idee heb over wat voor een soort vrijheid het hier moet gaan. Ik vermoed dat men op zoek is naar een vorm, een ervaring, van absolute vrijheid. Een zoektocht die het vacuüm moet opvullen dat is ontstaan na het schijnbare falen van de zoektocht naar absolute waarheid. Na de dood van God en Het Einde van alle Grote Verhalen, nu De Waarheid volledig opgerelativeerd is. Hoewel we tegelijkertijd nooit in staat zullen zijn ons leven een beetje fatsoenlijk in te richten zonder een concept van waarheid, beginnen we langzaam de gedachte dat de ultieme waarheid, de objectieve, van menselijke interpretatie onafhankelijke, discoursvrije, al dan niet goddelijke, al dan niet metafysisch gefundeerde waarheid zich nooit volledig aan ons zal ontvouwen schoorvoetend te aanvaarden.
maar ook vrijheid is helaas nooit absoluut. Alleen het concept van vrijheid is, net als de waarheid, absoluut. De verwerkelijking van ons concept van vrijheid is altijd gebonden aan de verhouding die wij met de werkelijkheid hebben. En ik zou ook hier weer een sceptische exercitie kunnen uitvoeren waarbij ik inga op het belang van een juist filosofisch fundament voor deze verhouding. Ik neem echter voor nu op deze plek de vrijheid om aan te nemen dat de meeste mensen een concept van vrijheid hebben. Die aanname maak ik omdat ik wil stellen dat het niet uitmaakt welk concept van vrijheid op welke manier gefundeerd is en hoe dat concept verwezenlijkt moet worden. Ik wil namelijk duidelijk maken dat het voor mij niets uitmaakt hoe mijn vrijheid in een al dan niet wetenschappelijk academisch filosofisch kader geplaatst kan worden. Mijn concept van vrijheid drukt vooral een relatie met mijn omgeving en met mijzelf uit. Ik weet niet zeker of de buitenwereld bestaat. Ik weet niet of de mensen die ik zie echt bestaan of niet. Waar mijn fenomenale belevingswereld ook vandaan komt, ik wil mijn eigen vrijheid uitdrukken, mijn eigen onafhankelijkheid, mijn eigen openheid. Ik wil mijzelf leren kennen en ik wil mijn wereld leren kennen. Misschien komt dat wel op hetzelfde neer. Ik wil mijzelf niet mijn vrijheid afnemen. Dus of u het nu puur eigen belang vindt of niet: ik doe aardig tegen u, want misschien doe ik eigenlijk alleen maar aardig tegen mezelf ( of tegen mijn matrix programma, of tegen mijn malin genie, of tegen mijn God ). Ik doe aardig tegen u, want u bent hoe dan ook onderdeel van hetzelfde als waar ik onderdeel van ben. Dus misschien praat ik nu tegen mezelf, tegen dovemansoren of tegen God: Ik vertrouw jullie en ik houd van jullie. En dat is mijn vrijheid.
Posted: October 25th, 2010
Categories:
Uncategorized
Tags:
Comments:
No Comments.
Een man gaat dood en komt in de hel. Zijn hele leven lang was hij een overtuigd atheist en humanist. Een man die zijn eigen grenzen stelde, zijn eigen verantwoordelijkheid nam en probeerde te leven volgens een moraal die steeds opnieuw de verhoudingen tussen hem en zijn omgeving probeerde te doordenken. (Een goed mens )
Toch heeft hij kennelijk iets niet goed gedaan. Tenminste, dat is wat hem wordt verteld als hij in de hel beland. In eerste instantie is de man overrompeld (klassiek beeld van de hel , veel vuur en middeleeuws aandoende martelmethodes). Uiteindelijk hervat de man zijn redelijkheid en probeert hij de situatie te begrijpen. Hij begint zich te verzetten tegen de praktijken waar men hem aan onderwerpt. Hij gelooft niet in een hemel en een hel en begint nu dus ook, ondanks alle pijn en ellende, te twijfelen aan de echtheid van zijn belevingen
(mogelijke varieties: de twijfel brengt hem in een neerwaartse spiraal van krankzinnigheid/depressie/psychotische gedachtes; hij begint aan alles te twijfelen en komt zo terecht in een letterlijk grenzeloze belevingswereld: moraal van het verhaal: vanuit het perspectief van een ‘goed’ mens is een wereld zonder grenzen pas een werkelijke hel )
Vanwege zijn twijfel scherpt men de straffen aan en worden de martelingen erger. Deze reactie voedt zijn twijfel, een dergelijk primitieve manier van straffen/vergelden kan niet het fundament zijn van de werkelijkheid. De klassieke hel past alleen binnen een te simplistische visie op goed en kwaad.
Hoe harder men hem begint te martelen, des te sterker wordt zijn overtuiging dat er iets niet klopt. Zijn verzet bestaat uit lichamelijke passiviteit en een sterker wordende geest die hij voedt met het doordenken van alle filosofische problemen rondom de concepten goed en kwaad. (zijn situatie, zijn veroordeling tot de hel wordt door hem als onrechtvaardig ervaren. Maar is de hel wel een rechtvaardige plek? Is het dan toch juist dat hij in de hel zit?)
Alle angsten, pijnen en dreigementen verliezen uiteindelijk hun kracht en hebben geen effect meer op de man. Dit omdat hij beseft dat angst in de eeuwigheid irrelevant is. Zodra hij de hoop begint op te geven wordt het pijnigen een zinloze exercitie. De hel wordt een oefening in onverschilligheid en zelfs de martelaren verliezen hun motivatie. Alles en iedereen zakt weg in een volledige leegheid. Uiteindelijk stopt alles en iedereen staart een eeuwigheid voor zich uit.
plots beseft een van de aanwezigen dat deze lege eeuwigheid ook een afwezigheid van pijn heeft betekent en ineens wordt de uitzichtloosheid een open horizon vol mogelijkheden! Op dat moment staat iedereen weer op. De martelaren springen ook overeind en herinneren zich hun taak weer en plotseling staan ‘goed en kwaad’ weer oog in oog met elkaar. Op dat moment verdwijnt alles met een oorverdovend kabaal dat langzaam overgaat in geluiden die associaties oproepen met het begin van het leven ( gehuil van een baby , fluitende vogels etc…).
conclusie: de hel is geen plek van eeuwigdurende folteringen; de hel is onverschilligheid en gebrek aan angst maar op die manier kan het ook de plek zijn waar het leven begint.
Posted: May 26th, 2010
Categories:
Uncategorized
Tags:
Comments:
No Comments.
1. “Wenn ein Löwe sprechen könnte, wir könnten ihn nicht verstehen.”
(§ 11, Philosophische Untersuchungen II)
Revisit this remark, taking into account Wittgenstein’s private
language argument. Do you agree?
‘Als een leeuw spreken kon, zouden we hem niet begrijpen’
In de kunsten, in zowel alle disciplines, is het antropomorfisme een veelgebruikt stijlmiddel. We schrijven met veel plezier menselijke eigenschappen toe aan dingen maar vooral nog het liefste aan dieren. Misschien wel het bekendste voorbeeld van de 20e eeuw zijn bijna alle disneyfilms waar dieren in mensenkleding in huizen wonen en allerlei herkenbare mensendingen doen. Mensen herkennen graag zichzelf in dieren en proberen dan ook vaak het gedrag van dieren te verklaren aan de hand van menselijke maatstaven. We kunnen ook niet anders want de menselijke maat is de enige maat die we hebben, die we werkelijk begrijpen. Toch laat dierengedrag zich niet altijd volgens deze maatstaf uitleggen. Graag zouden we dan ook willen dat onze kat zich verstaanbaar kon maken en ons precies kon uitleggen waarom hij bijvoorbeeld regenwater boven kraanwater verkiest. We weten ondertussen dat er altijd een zekere mate van onbegrip tussen mens en dier zal blijven bestaan, alle paarden-, katten-, en hondenfluisteraars ten spijt, de verschillen tussen mens en dier zijn te groot. De opmerking van Wittgenstein heeft precies met dit punt te maken: mens en dier leven in een andere wereld. Het eventuele taalgebruik van een dier zal dus ook gebaseerd zijn op een andere omgang met de wereld. Het gedrag van bijvoorbeeld een kat ( en een leeuw is immers ook een katachtige ) is in sommige gevallen prima in te passen in een geheel van een menselijke referentiekaders maar vaker ook niet. De gedachte dat bepaald kattengedrag afwijkend is, is dan ook een typisch menselijke gedachte. Een kat zal immers een compleet ander referentiekader hebben, als hij al over zoiets als het concept ‘referentiekader’ beschikt; de gedachte dat gedrag te verklaren is binnen een geheel van opvattingen over de verhouding met de buitenwereld is ook al een typisch menselijke gedachte. Nu we het erover hebben merken we al snel dat eigenlijk alles wat we zeggen over het gedrag van de kat een typische mensengedachte is en dat is ook begrijpelijk want we zijn immers mensen! Afwijkend kattengedrag volgens mensen is waarschijnlijk perfect te verklaren aan de hand van kattenmaatstaven, maar niet aan de hand van de menselijke maat.
Deze stellingname van Wittgenstein sluit aan bij zijn sceptische opvattingen; de gedachte dat we nooit zekerheid kunnen hebben over andermans gedachten, of beter gezegd: dat we nooit zekerheid kunnen hebben over de vraag in hoeverre we iemand juist begrijpen.De paragraaf waarin Wittgensteins opmerking over de leeuw staat behandelt diverse vragen over dit onderwerp. Voorafgaand aan de opmerking over de leeuw vinden we bijvoorbeeld een opmerking over het bezoeken van een vreemd land; zelfs wanneer je de taal van het land kent, begrijp je de mensen niet zegt Wittgenstein. Daarbij, en ook bij andere opmerkingen in deze paragraaf, wijst hij erop dat dit niet zozeer te maken heeft met het feit dat bijvoorbeeld iemands gedachten aan de buitenkant niet af te lezen zijn. Hij noemt meerdere gevallen waarin we weldegelijk aan iemands buitenkant (iemands gedrag bijvoorbeeld) kunnen opmaken wat de ander ongeveer denkt of voelt. Bijvoorbeeld als iemand ligt te kermen van de pijn. Het probleem is echter dat we dit nooit zeker kunnen weten en dat we geen begrip hebben van bijvoorbeeld iemand anders’ pijn. Wanneer we zien dat iemand anders pijn heeft, denken we daarbij aan ons eigen begrip van wat pijn is. Of de ander dezelfde pijn heeft is niet te zeggen en sterker nog: volgens Wittgenstein onzinnig om te zeggen. Wittgenstein wijst ons op een bepaalde dubbelzinnigheid in ons woordgebruik namelijk dat we enerzijds vaak stellen dat iemands gedachten volledig ontoegankelijk zijn omdat ze in iemands hoofd zitten terwijl we anderzijds vaak genoeg menen te kunnen weten wat een ander denkt. In de philosophische untersuchungen en met name in het prive-taal argument onderzoekt Wittgenstein onder andere deze problemen.Zijn analyse van het idee van een prive-taal sterkt hem onder andere in de gedachte dat de woorden in een taal hun betekenis ontlenen aan hun samenhang met een geheel van gebruiken van die woorden in een taalspel. Belangrijk hierbij is dat het gaat om een samenhang tussen gebruikers en de gebruiken die ze hebben. Wanneer Wittgenstein zegt dat betekenis bepaald wordt door gebruik doelt hij dus ook op de meerdere betekenissen van het woord ‘gebruik’. Het gaat daarbij dus niet alleen om het gebruik van een woord aan de hand van bijvoorbeeld alleen grammaticale regels. De gebruiken, de gewoontes, van een gemeenschap zijn ook van invloed op het gebruik van de woorden en dus ook van invloed op de betekenis. Een taalspel en de woorden die er onderdeel van zijn kunnen dus nooit los gedacht worden van de gemeenschap die deelneemt aan het taalspel. De gedachte, zoals geopperd in het prive-taal argument, dat een persoon een taalspel voor hem alleen zou kunnen gebruiken noemt Wittgenstein dan ook onzinnig. De opmerking van Wittgenstein over de leeuw kunnen we dan ook zien als een overtreffende trap van dit idee: als er tussen verschillende gemeenschappen die aan verschillende taalspelen deelnemen al grote verschillen kunnen bestaan in het gebruik van dezelfde woorden waardoor misverstanden, discrepanties in begrip, kunnen bestaan, hoe groot moeten dan de verschillen en de misverstanden tussen mensen- en dierentaal wel niet zijn?
Wittgensteins analyse van het concept van een prive-taal blijft een interessant onderwerp en een onderwerp dat belangrijk is omdat het een goede manier is om een probleem dat centraal staat in de filosofie duidelijk te maken. Ik doel daarmee op het sceptische probleem in de filosofie: hoe weten we ooit iets met zekerheid over de wereld buiten onze individuele belevingen? Wittgensteins analyse laat volgens mij zien dat we inderdaad nooit een dergelijke zekerheid kunnen hebben. Het bestaan van een objectieve maatstaf wordt afgeleid uit het succes dat geboekt wordt in het bereiken van een doel dat een taalspel kan hebben. Daarnaast wijst het argument ons erop dat een dergelijke objectieve maatstaf alleen objectief is zolang hij door alle deelnemers aan taalspel in ere wordt gehouden. Wanneer er een werkelijke objectieve, dus van subjecten onafhankelijke, maatstaf zou bestaan dan zou er geen enkele verandering in betekenis mogelijk kunnen zijn.
Het is dus nog maar de vraag of iemand een ander ooit werkelijk begrijpt. Deze Leeuw kan weliswaar spreken maar wie zegt dat u mij werkelijk begrijpt?
2. “Ein Wort ohne Rechtfertigung gebrauchen, heißt nicht, es zu
Unrecht gebrauchen.”2 (§ 289, Philosophische Untersuchungen)
Explain this assertion, applied to the problem of rule-following. You
might find some useful illustrations in §§ 179-181 and §§ 186-188.
Finally, would you agree that we follow rules “blindly” (§ 219)?
‘Een woord zonder rechtvaardiging gebruiken betekent niet het ten onrechte te gebruiken’
Zoals altijd moeten we ook bij deze opmerking weer kijken naar de context waarin Wittgenstein de opmerking maakt. De betekenis van een woord of een uitdrukking staat immers nooit op zichzelf maar heeft altijd te maken met de betekenis van het geheel waarbinnen dat woord of die uitdrukking geplaatst is. Dat is tenminste de inzet van een van de hoofdgedachten van Wittgensteins filosofische onderzoekingen en ook hier vormt dat de leidraad. De paragraaf waarin de genoemde opmerking staat handelt over vragen die te maken hebben met de rechtvaardiging van het gebruik van een woord. Het begrip ‘rechtvaardiging’ in deze context wordt gebruikt als een begrip dat centraal staat in een aantal vragen die te maken hebben met het gebruik van woorden voor individueel gebruik en intersubjectief gebruik. Wittgenstein vraagt zich af of het zo is dat wanneer iemand een uitspraak doet, een opmerking maakt, iets zegt, dat we dan ook kunnen zeggen dat het gebruik van dat woord voor die persoon zelf gerechtvaardigd is. De vraag wat dat precies zou betekenen sluit daar direct op aan. Wanneer zou het gebruik van een woord wel of niet gerechtvaardigd zijn? Wat wordt daar precies mee bedoeld? Heeft rechtvaardiging te maken met het beoordelen van de juistheid van het gebruik van een woord, een begrip, aan de hand van een objectieve maatstaf? Wederom geldt hier de vraag wat dat zou betekenen? Deze problematiek wordt door Wittgenstein al eerder in de filosofische onderzoekingen aan de orde gesteld wanneer hij ingaat op diverse vragen die te maken hebben met het volgens van regels. Het centrale probleem waar het daarbij om gaat is wederom de vraag naar zekerheid en ook hier leiden de vragen die Wittgenstein stelt naar aanleiding van dit probleem tot een sceptische visie. Wittgenstein geeft een aantal voorbeelden die ons erop wijzen dat het in een hoop geval misschien lijkt alsof we zekerheid hebben over de juistheid van het toepassen van een regel maar laat ons daarbij zien dat die zekerheid nooit volledig is ( wat bij Wittgenstein zoveel betekent als het ontbreken van twijfel ). Voorbeelden van regels die Wittgenstein noemt zijn onder andere regels die te maken hebben met het afmaken van cijferreeksen. In een dergelijk voorbeeld wordt een situatie geschetst waarin de ene persoon een korte reeks cijfers toont met de vraag aan de ander om die reeks af te maken. De vraag is nu niet zozeer volgens welke regel de cijferreeks afgemaakt moet worden maar vooral: hoe, of beter gezegd wanneer, weten we nu of de ander de juiste regel gebruikt? Hoever moet de cijferreeks worden afgemaakt? Het kan zijn dat de antwoorden van de persoon die de reeks moet afmaken in eerste instantie overeenkomen met de resultaten die de ander verwacht maar betekent dat dan ook dat we zeker weten dat de ander dezelfde regel gebruikt, of de regel juist volgt? Het zou goed kunnen dat de ene persoon een regel volgt die resultaten produceert die weliswaar overeenkomen met de te verwachten resultaten terwijl de andere persoon toch een andere regel in gedachte had.
In andere paragrafen die met ditzelfde onderwerp te maken hebben gaat Wittgenstein nog verder in op problemen omtrent het volgen van regels. Zo stelt hij ook een aantal vragen die te maken hebben met het feit dat een regel een abstracte constructie is die verwijst naar een oneindig aantal mogelijkheden. Naar aanleiding van dit feit komt Wittgenstein op een vraag die wederom met rechtvaardiging te maken heeft namelijk de vraag wanneer men gerechtvaardigd is te zeggen dat men een regel heeft begrepen. Het probleem hierbij is namelijk de vraag of die uitspraak betekent dat men alle mogelijke resultaten van een regel heeft beschouwd. De gedachte die wordt geformuleerd in de bovenstaande opmerking probeert dit duidelijk te maken: mogelijkerwijs is het gebruik van een bepaald woord niet te rechtvaardigen op de manier zoals hierboven beschreven, daarmee is echter niet gezegd dat het woord dan ook onterecht wordt gebruikt. Rechtvaardiging betekent in die zin dan de bevestiging van de juistheid van het gebruik van het woord. Zonder die bevestiging kan het woord nog steeds juist gebruikt worden. Dit wijst er ( naar mijn mening ) vooral op dat de vraag relevant is: in hoeverre hebben we die rechtvaardiging nodig?
Posted: May 24th, 2010
Categories:
Uncategorized
Tags:
Comments:
No Comments.
1
Hoe schrijf je nu een inspirerend stuk? Hoe ben je nu inspirerend? En waarom? Omdat je zelf graag geïnspireerd wordt? Omdat je denkt dat het goed zou zijn als men geïnspireerd zou zijn? En waarom zou ik dat dan moeten doen? Wie zegt dat het moet trouwens? Als ik iets van mezelf moet, is dat dan niet ook gewoon een soort van ‘willen’? En als ik al zou willen inspireren, hoe dan? Door mensen te vertellen hoe ik zelf geïnspireerd zou willen worden? Door te wijzen op inspirerende dingen? Waarom inspireert het om te horen hoe iemand anders geïnspireerd raakt? Is inspireren dan niet meer dan een voorbeeld stellen? Of een oproep? Een oproep aan iedereen die graag wil vertellen wat ze inspirerend vinden? Dus, als ik anderen wil inspireren, moet ik dan juist maar vooral zelf vertellen wat ik inspirerend vindt? En wat nou als ik geïnspireerd raak door dat mensen vertellen hoe zij weer geïnspireerd raken? Is het de inspiratie, de bezieling zelf die ik inspirerend vind, of zijn het concrete zaken? En waarom trouwens niet allebei?
Ik denk dat ik graag mensen zou willen inspireren, maar waarmee dan en nogmaals waarom? Ik denk dat het mij goed zou doen maar ik denk ook dat het anderen goed zou kunnen doen maar waarom? Omdat het mij goed doet als ik iemand mij hoor of zie inspireren? Wat bedoel ik als ik zeg dat iets mij inspireert? Ik denk dat ik met inspiratie hier vooral wil verwijzen naar bepaalde gevoelens van hoop, verwachting en vertrouwen; het herkennen van een bepaalde bezieling in iets of iemand die hoop geeft en die je doet vertrouwen in de mogelijke goede afloop van je eigen verwachtingen. En wensen en verlangens.
2
Wat zou ik graag willen zingen van alles wat ik mooi vindt, alles wat ik leuk vindt, alles wat me blij maakt, alles wat me ontroert en alles wat me hoop geeft. Ik weet steeds niet waar ik moet beginnen en ik doe steeds een stap terug. Ik ga steeds terug naar de inspiratie op zichzelf. Ik zou graag vooral willen dat anderen zouden kunnen voelen hoe plezierig de inspiratie op zichzelf voelt. Anderen horen vertellen wat er allemaal mooi is aan de wereld doet me deugd. Soms ben ik het met ze eens en soms ook niet als het gaat om de concrete dingen die ze benoemen maar altijd ben ik het eens met de bezieling waarmee men mij probeert te overtuigen van de schoonheid van hetgeen ze ( proberen te ) benoemen. Dat er voor een hoop mensen genoeg is waar ze door geraakt worden en dat veel van die mensen ook nog menen dat het de moeite waard is dat aan anderen te vertellen , dat is nu eens iets dat ik heel erg mooi vindt. Toch blijf ik het frappant vinden dat ik inspireren alleen kan zien als iets dat je doet door te vertellen hoe het je overkomt. Inspireren is spiegelen; de verantwoordelijkheid willen nemen anderen een spiegel voor te houden. Weliswaar zijn het gekleurde spiegels die we elkaar voor houden als we willen inspireren; een spiegel waarin je jezelf maar ook de ander kunt zien en bovendien een deel van de wereld. Een uitspraak als: ‘Kijk eens hoe mooi ik deze bloem vindt!’ geeft enorm veel informatie over hoe de wereld eruit kan zien. Zo’n uitspraak laat ten eerste zien dat iemand anders een bloem mooi kan vinden dus dat een ander uberhaupt iets kan vinden over een bloem, dat er waarschijnlijk iets is dat ‘bloem’ genoemd kan worden, dat er mensen zijn die dat iets ‘mooi’ kunnen vinden en ten slotte confronteert het je met de (multidimensionale ) vraag: wat vind ik eigenlijk zelf van dat ding ‘bloem’ ? Elke vraag opent een wereld van mogelijkheden.
Posted: April 5th, 2010
Categories:
Aantekeningen
Tags:
Comments:
No Comments.
1
Ik heb een idee over hoe de wereld zou moeten zijn en over hoe de mensen zich zouden moeten gedragen. Ik heb heel veel ideeën over hoe de wereld zou moeten zijn en hoe mensen zich zouden moeten gedragen. Soms lijkt het of ik alleen maar ideeën heb over hoe de wereld zou moeten zijn en hoe de mensen zich zouden moeten gedragen. Ik vergeet soms te kijken naar hoe de wereld is en als ik al kijk naar hoe de wereld is dan zie ik vooral hoe de wereld niet is zoals ik denk dat hij zou moeten zijn. Niet alleen vergeet ik soms te kijken naar hoe de wereld is maar vergeet ik vooral te kijken naar hoe de wereld wel is zoals ik denk dat het zou moeten zijn. Datzelfde geldt voor de mensen en hoe ze zich gedragen. Soms vergeet ik dat ik zelf ook mens ben. Soms wil ik ook niet dat ik mens ben. Dan zie ik hoe ik mezelf niet gedraag zoals ik denk dat de mensen zich zouden moeten gedragen.
2
Ik herinnerde me vandaag dat ik altijd werkelijk heb geloofd in de mooie dingen die men mij altijd verteld heeft. Over hoe de mensen te vertrouwen zijn, hoe de wereld mooi is en hoe je gelukkig tevreden kan zijn maar ook hoe je overdreven uitzinnig gelukkig kan zijn voor eventjes. Ik heb altijd werkelijk geloofd dat ooit alles goed komt en dat het de moeite waard is moeite te doen om de dingen te verbeteren. Er zit een bepaalde logische fout in de eenzijdige focus op positiviteit; het zou volgens mij niet nodig moeten zijn om de wereld te moeten willen verbeteren.
Posted: April 5th, 2010
Categories:
Uncategorized
Tags:
Comments:
No Comments.
In hoeverre gaat het kunnen zien of bedenken van vele mogelijkheden altijd gepaard met angst?
Vele mogelijke opties kunnen onderscheiden is positief noch negatief, het laat zien hoe iets zou kunnen lukken maar ook zou kunnen mislukken. Of beter gezegd: het laat geen falen of slagen zien, het laat verschillende scenario’s zien. De mogelijkheden zelf zijn niet waardegeladen, de beoordeling van de verschillende situaties die mogelijk zijn wel. En dan zijn er ook nog de situaties die niet mogelijk zijn maar die weldegelijk van een waardering voorzien worden. De angst is dus slechts in de waardering, de beoordeling van een situatie. Vaak richt de angst zich dan ook nog eens op een concreet voorbeeld van een mogelijke uitwerking; maar een uitwerking van wat? Een uitwerking van een van de vele mogelijke situaties die we onderscheiden, nog voordat er ook maar iets gebeurd is. Van de vele mogelijkheden zijn er altijd een of meer die onze voorkeur hebben en vaak een en soms meerdere waar we bang voor zijn, die we willen vermijden. Van de vele mogelijkheden richten we ons op die beperkte hoeveelheid van gevallen die we wensen en vrezen.
Het kunnen onderscheiden en het kunnen relativeren van de redelijkheid van onze focus op slechts de gevallen die gekoppeld zijn aan onze wensen en angsten confronteert ons ook met de onredelijkheid en de illusie van controle. Dat je je beseft dat je slechts oog hebt voor een beperkte hoeveelheid mogelijkheden is 1 ding. Vervolgens het besef kunnen accepteren dat de beperkte visie geen recht doet aan de veelheid van mogelijkheden die je eerder nog kon onderscheiden is een volgende stap. Ten slotte komt de confrontatie met het besef dat je niet kunt weten welke van de vele mogelijkheden verwerkelijkt zal worden zolang ze nog geen werkelijkheid zijn en dat je in zekere zin eigenlijk helemaal geen echt inzicht hebt in de vele mogelijkheden, althans geen inzicht in de zin van kennis die je in staat stelt de situatie(s) juist in te kunnen schatten en met zekerheid te kunnen voorspellen welke gevolgen een bepaalde situatie ( een bepaalde verwerkelijking van mogelijkheden ) heeft. Dat inzicht in gebrek aan controle brengt je terug bij het begin en maakt dat je steeds opnieuw alle mogelijkheden probeert te bedenken; waarbij je je opnieuw laat leiden door angsten en wensen, als je je angsten en wensen immers los kon laten zou het niet relevant zijn al die verschillende mogelijkheden te willen bedenken. Tenminste als het gaat om het bedenken van mogelijkheden waarbij die mogelijkheden staan voor keuzes die gemaakt moeten worden. Als er een keuze gemaakt moet worden dan zijn het onze angsten en wensen die ons sturen in het bedenken en beoordelen van alle mogelijkheden. Omdat we geen controle hebben over de uitkomst van een keuze. Als we wel die controle hadden wisten we ook meteen welke keuze we moesten maken. Tenminste , als je weet wat je wilt. Het kunnen zien van vele mogelijkheden gaat dus slechts gepaard met angst ( maar ook met wensen ) wanneer we controle willen hebben over de uitkomst; de hoeveelheid van mogelijkheden is alleen overweldigend als je zoekt naar een juiste keuze, of eigenlijk als je zoekt naar die ene juiste keuze. Je kunt alleen de juiste keuze maken als je je durft te vergissen, je kunt immers alleen iets fout doen als je weet hoe het goed had kunnen gaan. Betekent dit dan voor mij dat ik altijd angst voor een foute keuze zal hebben omdat ik het graag goed wil doen? Ik zou graag willen dat ik niet bang ben om een keuze te maken zonder mijn goede bedoelingen te verloochenen, het is niet immoreel om niet bang te willen zijn. In zekere zin is die angst dan vooral gebrek aan vertrouwen in het oordeel dat mensen over me zullen vellen. Als ik dat zeg denk ik meteen bij mezelf: ‘zo de waard is vertrouwt hij zijn gasten’ en inderdaad, ik heb zelf ook snel een oordeel klaar wanneer anderen een fout maken. Althans wanneer die fout voorkomen had kunnen worden, als de fout door ondoordacht handelen is veroorzaakt. Kennelijk verwacht ik van anderen dat ze dezelfde afwegingen maken als ik.
Posted: April 5th, 2010
Categories:
Aantekeningen
Tags:
Comments:
No Comments.
Okee, wat wil ik nu eigenlijk? Wat zijn de dingen die ik nog graag wil doen? Wat wil ik graag zeggen? Waarom houd ik me zoveel bezig met het waarom van wat ik wil? Ben ik bang het onjuiste te willen? Ben ik bang teveel te willen? Ben ik bang dingen te willen die onmogelijk lijken? Ben ik bang tijd en energie te verspillen met het denken aan dingen die ik wil maar die niet kunnen?
Steeds sta ik mezelf toe een stap terug te nemen, afstand te nemen en te kijken naar mezelf. Ik weet dat dit een soort zelfbescherming is, uit angst voor de impact van de gebeurtenis als ik mezelf toesta deel te nemen aan het moment waarop ik de beslissingen moet nemen die me laten meeleven en die me mogelijkerwijs in staat stellen de dingen die ik wil daadwerkelijk te doen. Deze angst is de angst voor het onbekende, voor de mogelijke negatieve gevolgen voor de pijn die met een botsing gepaard gaat. Tegelijkertijd ontslaat het me van de verantwoordelijkheid de taak op me te nemen om de keuzes te maken die ik moet maken en om aanwezig te zijn op de momenten dat ze gemaakt moeten worden. Ik weet dat de angst voor de mogelijke klap in de meeste gevallen erger is dan de daadwerkelijke klap. Ik weet ook dat het eigenlijk toch niet echt de angst voor het onbekende is, eigenlijk is het onbekende niet iets waar ik bang voor ben. Ik zoek het onbekende op en ik weet dat het overal om me heen is. Ik weet dat het onbekende een manier van kijken is. Het onbekende is voor mij ook de vrijheid waar ik mezelf van laat proeven als ik probeer alles wat ik van de wereld weet los te laten. De vrijheid om het bekende los te laten, om het bekende zich te laten vermommen. Om het bekende volledig te ontleden en opnieuw in elkaar te zetten. Ik weet dat ik vaak juist verlang naar de klap van het nieuwe dat ontstaat wanneer gebeurtenissen plaatsvinden in een context die je nooit helemaal onder controle hebt waardoor er altijd iets verrassends en nieuws gebeurt ( ook al dacht je precies te weten wat er ging gebeuren; je hebt je hersens laten werken! ).
Eigenlijk is het toch vooral de moeite om dan toch wel die verantwoordelijkheid te nemen en de dingen te doen die ik wil, die ik moet, omdát ik ze wil. Toch wil ik graag die verantwoordelijkheid kunnen nemen. Ik zou graag iemand zijn die de keuze had gemaakt om altijd aanwezig en bereid te zijn op momenten dat er keuzes gemaakt moeten worden. Het is wat ik wil, het is misschien wel het belangrijkste dat ik weet van alle dingen die ik wil omdat het namelijk de voorwaarden schept voor het kunnen en willen doen van de dingen die ik wil. Het komt dus simpelweg neer op het feit dat ik voor de keuze sta om voortaan mijn eigen keuzes daadwerkelijk te maken. Ik houd zo ontzettend van het niet maken van keuzes en te blijven hangen in het moment voordat de keuze gemaakt wordt. Het moment waarop je alle mogelijkheden door je geest laat gaan, alle opties bekijkt en open houdt.
Het genot van het kunnen overzien van zoveel mogelijk mogelijkheden en de angst van de twijfel nooit de juiste optie te kunnen kiezen uit al die mogelijkheden. Misschien is dat nog een angst die ik onderbelicht had gelaten. De angst van de overdaad aan keuzes en de onmogelijkheid ooit te weten wat de juiste keuze is. Zeker als je een geest hebt die je in staat stelt oneindig veel mogelijkheden te zien en te bedenken.
Maar hoe kom je nu ooit over die angst heen?
Posted: April 5th, 2010
Categories:
Aantekeningen
Tags:
Comments:
No Comments.
Ik blijf maar dromen en dromen. Ik heb altijd gedroomd. Ik droom van wat ik wil worden, of beter gezegd: van wat ik wil zijn.Ik droom van wat ik wil zien en meemaken. Ik droom van alles wat ik mooi vind en wat ik wil laten zien. Ik droom van wat ik leuk vind, waar ik van moet lachen. Ik droom van wat me pijn doet, waar ik bang van ben. Ik droom van alles tussen hoog en laag in. Ik droom van het succes dat ik wil en ik droom van hoe ik dat nooit bereik. Ik droom van de goot waar ik in zou kunnen liggen en ik droom van vandaag terwijl ik thuis ben. Het dromen is mijn halve leven; de andere helft maak ik mee. Mijn dromen zijn mij bekend, van mijn dromen weet ik waar ze vandaan komen, vanuit mezelf. De andere helft is de helft die zich afvraagt wat echt is en wat niet echt is. De andere helft vraagt zich af wat er ongrijpbaar is aan een droom en of een droom niet per definitie gedoemd is een droom te blijven. De andere helft is de onzekere helft die een antwoord wil op de vragen die dromen stellen. De andere helft zou een antwoord op de droom willen zijn. De andere helft zou willen weten waar de droom ophoudt, waar de droom begint en of en hoe een droom werkelijkheid kan zijn. De andere helft weet nog minder dan de droom zelf, de andere helft is wakker maar vergeet de droom. De andere helft weet niet goed hoe het wakker is, hoe het wakker zou moeten blijven en of het wel opgehouden is te dromen. De andere helft maakt dingen mee; ziet dingen, doet dingen, heeft pech of succes, heeft lol, geniet, heeft pijn, is op zoek, stelt vragen, is onzeker. De andere helft ontmoet anderen. De anderen maken dingen mee, zien dingen, doen dingen, hebben plezier of verdriet, genieten, hebben pijn, stellen vragen, zijn op zoek en dromen. De anderen dromen hardop in mijn bijzijn. Ik droom van andermans dromen. Ik zie andermans dromen in mijn dromen. Ik droom van andermans plezier. Ik droom van wat anderen zijn. Ik droom van wat anderen willen zijn. Ik droom van wat anderen zien en meemaken. Ik droom van wat anderen leuk vinden, waar anderen om moeten lachen, wat anderen pijn doet, waar anderen bang voor zijn. Ik droom van anderen die mij meemaken. Ik droom en ik blijf maar dromen.
Posted: April 2nd, 2010
Categories:
Uncategorized
Tags:
Comments:
No Comments.
De filosofie is mijn handvat en als handvat functioneert het heel slecht.
Ik heb iets nodig om me aan op te trekken, iets om me aan vast te houden; zonder muren ben ik nergens, dat klopt, maar die muren hebben wel een deur nodig.
Ik heb een handvat nodig, iets dat me houvast geeft in het dagelijks leven. De filosofie is mijn handvat maar het is een slecht handvat. Het veranderd continu van vorm, het is een vreemd aan elkaar geknutseld Frankenstein handvat. het is zelfs niet eens echt een handvat het is alleen het concept van een handvat, het is geen concreet handvat, er is zelfs nauwelijks sprake van het bestaan van een metafoor.
Posted: April 2nd, 2010
Categories:
Uncategorized
Tags:
Comments:
No Comments.
De bedoeling is dat op dit blog een verzameling teksten komt.
Teksten waar ideeën mee gecommuniceerd zouden kunnen worden.

Posted: April 2nd, 2010
Categories:
Uncategorized
Tags:
Comments:
No Comments.